Home > Communicatie > Artikelen C. van der Meijden > Een verhaal over moraal


22-12-2011
Een verhaal over moraal
Het Christelijke Westen
Vooral de oudere generaties in het christelijke Westen zijn grootgebracht met de verhalen uit de bijbel, waarin o.a. het verhaal staat dat in een ver verleden door Jahwe aan Mozes op de berg Sina een aantal geboden zijn geopenbaard. Sommigen verstaan dit geopenbaard worden in letterlijke zin, dus dat God uit de hemel is neergedaald om zijn geboden aan Mozes te openbaren, anderen verstaan dit verhaal in overdrachtelijke zin. Mozes zou in het toenmalige hoog beschaafde Egypte een groep Israëlische immigranten die tot slaven waren verworden uit Egypte hebben weggeleid terug naar hun oorspronkelijke woongebied. Onderweg zou Mozes een aantal geboden hebben opgesteld die vanuit zijn perspectief voor zijn volk richting gevend zouden moeten zijn. Volgens de bijbelse moraal is de mens reeds bij zijn geboorte belast met de erfzonde en van nature tot het kwade geneigd. Later stuurde God een Verlosser, Jezus Christus, die door zijn dood aan het kruis vergeving verkreeg voor de zondigheid van de mensheid. In het christelijke Westen is de natuur (ook de natuur van de mens) iets dat onderdrukt en overwonnen moet worden. Mede door deze christelijke levenshouding is de mens in het Westen in toenemende mate van de natuur vervreemd.
Het Verre Oosten
In het verre Oosten met name in China zijn de oudere generaties opgegroeid met de filosofische verhalen van Lao-tse en Kongfu-tse (in het westen Confucius genoemd). Het confucianisme heeft meer dan welke andere filosofische richting zijn stempel op de Chinese cultuur gedrukt. Onder Mao mochten deze verhalen niet meer gelezen en bestudeerd worden. Echter in het huidige China, dat aanvankelijk vol bewondering naar het Westen keek, begint men zich te realiseren dat ze vooral hun eigen wortels niet moeten verloochenen. Het voorbije voorjaar heb ik zelf kunnen zien, dat er vlak bij het Plein van de Hemelse Vrede in Peking, niet ver van het mausoleum van Mao, weer een enorm groot standbeeld van Confucius is geplaatst. De herwaardering van Confucius blijkt o.a. ook hieruit, dat de huidige Chinese regering weer de harmonieuze maatschappij van Confucius stimuleert. Confucius leefde ca. 500 jaar voor Chr. in een tijd van grote politieke en sociale veranderingen die samen gingen met moreel verval. Hij was ervan overtuigd, dat steeds strenger straffen alleen maar zou leiden tot verharding van de samenleving. Daarom probeerde hij een leidraad op te stellen, uitgaande van de natuurlijke emotionaliteit van de mens, waarin de”menselijke” mens centraal stond. Hij ging ervan uit, dat de mens van nature goed is. Mensen kunnen ontroerd zijn, door iets geraakt worden. Daar komt geen verstand aan te pas. Het overkomt je. Vanuit deze basale gevoelens van ontroerbaarheid en mededogendheid ontwikkelde Confucius zijn ideeën over de liefde tot de medemens.
Het is voor ons westerlingen verwonderlijk dat deze Chinese levensbeschouwing al 500 jaar voor Christus werd ontwikkeld. Kostbare deugden als zachtmoedigheid en naastenliefde worden beschouwd als behorende tot de menselijke natuur. Binnen de Chinese wereldbeschouwing vormt de mens een integraal deel van de aarde die weer harmonieert met de hemel die weer harmonieert met de kosmos. Het “onbenoembare” is in alles aanwezig. Daarom is een openbaringsgodsdienst vreemd aan de Chinese denkwijze.
Wie geen vertrouwen in anderen stelt,
zal ook nimmer het vertrouwen van anderen winnen. Lao Tse

Evolutie
Als we de geschiedenis van het leven op aarde aan de hand van fossielen bestuderen, stuiten we op een aantal verschijnselen die om een verklaring vragen. De evolutieleer beschrijft een geleidelijke ontwikkeling, waarbij uit eenvoudiger organismen meer ingewikkelder gebouwde organismen zijn ontstaan. Deze ontwikkeling (evolutie) vertoont kennelijk een gerichtheid van lager (weinig gespecialiseerd) naar hoger (meer gespecialiseerd). De evolutieleer is een theorie. Er zijn echter talloze feiten in de biologie die evolutie erg aannemelijk maken. Tot het midden van de 19e eeuw werd vrij algemeen aangenomen, dat diersoorten (b.v. de diersoort “vink” of de soort “schildpad”) onveranderlijk waren, hoewel de Fransman De Lamarck (18e eeuw) al in de kruising van verwante soorten een oorzaak zag van het ontstaan van nieuwe soorten. Dieren behoren tot één soort als ze onderling te kruisen zijn en dan vruchtbare nakomelingen voortbrengen. Van een echte ommekeer in het natuurwetenschappelijke denken over het al of niet veranderlijk zijn van soorten, kan men pas spreken nadat Charles Darwin in 1859 zijn beroemde boek “Over het ontstaan van soorten door middel van natuurlijke selectie” had gepubliceerd. Darwin had op het zeilschip “Beagle”, dat voor de Britse regering allerlei onderzoekingen in de oceanen moest uitvoeren, een bezoek gebracht aan de Galapagos-eilanden die bestaan uit enkele grote en een menigte kleine eilanden. Deze eilanden hebben nooit in verbinding gestaan met het vaste land van Zuid-Amerika. Daardoor komen er planten en dieren voor die nergens anders worden gevonden. De soortenrijkdom houdt verband met de grote verscheidenheid aan biotopen (leefmilieus). In zijn reisbeschrijving vertelt Darwin dat hij hier het meest getroffen werd door het feit, dat op verschillende eilanden dieren leefden die wel sterk op elkaar leken, maar toch in bepaalde kenmerken van elkaar waren te onderscheiden. Hij werd daarop ook opmerkzaam gemaakt door de vice-gouverneur Lawson die hem vertelde, dat hij in staat was van elk in de archipel voorkomende reuzenschildpad (Galàpagos in het Spaans), op grond van de vorm van het rugschild en de kleur, met zekerheid te zeggen van welk eiland het dier afkomstig was. Iets dergelijks viel ook waar te nemen bij de vinken.
Dit bracht Darwin op de gedachte, dat al deze op elkaar lijkende vormen niet als afzonderlijke soorten waren geschapen, maar wel moesten afstammen van gemeenschappelijke voorouders. Darwins ideeën kunnen we als volgt samenvatten: Planten en dieren krijgen nakomelingen. Bij de nakomelingen kunnen toevallige veranderingen in de erfelijke aanleg (mutaties) optreden. Deze afwijkingen kunnen gunstig of ongunstig zijn voor het individu in dat milieu. In de strijd om het bestaan (the struggle for life)- je moet natuurlijk niet aan vechten denken – zullen de organismen die het beste aan het milieu zijn aangepast blijven voortbestaan. Dat kunnen de “normale” organismen zijn, maar ook de “erfelijk afwijkende” organismen.
Dit wordt natuurlijke selectie (survival of the fittest) genoemd. Het gevolg van de natuurlijke selectie kan zijn, dat “normale” organismen uitsterven en de ”erfelijk afwijkende” organismen blijven bestaan. De soort is dan geëvolueerd. De vorm die het best is aangepast aan het milieu, komt dan meestal het veelvuldigst voor.


Frans de Waal een wereldberoemd wetenschapper
“De Waal houdt verhaal over moraal” kopte Het Brabants Dagblad van 15 september 2011. Prof. Dr. Frans de Waal die in Waalwijk is opgegroeid, trok veel belangstelling naar zijn oude school, het Dr. Mollercollege. Ik had me ook aangemeld voor deze lezing en kreeg de gelegenheid om even kennis met hem te maken. Frans de Waal is hoogleraar psychologie aan de Emery University in Atlanta en is verbonden aan het Yerkes Regional Primate Research Center aldaar. Hij is gespecialiseerd in de ethiologie (gedrag van dieren) en de primatologie (kennis van de mensapen). Van hem verschenen meerdere boeken. Volgens de Waal legt de wetenschap te veel de nadruk op onze “zelfzuchtige” genen. Het is het beest in ons, horen we vaak als we iets slechts gedaan hebben. Maar waarom zeggen we dat niet als we iets goeds gedaan hebben? Dat versterkt de gewoonte de natuur er de schuld van te geven wanneer we iets slechts doen en goede dingen juist als “menselijk” aan te merken.” Op basis van frappant bewijs dat afkomstig is van zijn uitgebreide onderzoek naar gedrag van mensapen valt De Waal de theorie aan, die stelt dat moraal een dun laagje is over een verder kwaadaardige natuur. Hij laat zien dat er grote samenhang bestaat tussen het gedrag van mens en dier en put daartoe zowel uit darwinistische als recente wetenschappelijke inzichten. Hij neemt aan dat mensen van nature goed zijn. We hebben, volgens De Waal, onze “goede inborst” via een normaal darwinistisch proces van natuurlijke selectie geërfd van onze niet-menselijke voorouders. Om deze veronderstelling te toetsen, nodigt hij ons uit om samen met hem te kijken naar het gedrag van niet-menselijke verwanten die het dichtst bij ons staan: eerst naar dat van de chimpansees, vervolgens naar dat van de primaten (staartloze apen) die wat verder van ons afstaan en tenslotte naar de sociale dieren die geen primaten zijn. “Als onze naaste verwanten gedrag vertonen alsof ze goed zouden zijn, en wij mensen ook, dan noopt het methodologisch principe van de eenvoud ons ertoe aan te nemen, dat goedheid werkelijk bestaat en dat de moraal van de mens en zijn verwanten van een gemeenschappelijk bron afkomstig is”.
De goedheid van de mens voor zover die uit hun gedrag blijkt, mag dan beter ontwikkeld zijn dan die van niet-menselijke wezens, de eenvoudiger niet-menselijke moraal moet volgens De Waal worden beschouwd als de basis van de veel complexere menselijke moraal. Het empirisch bewijs van De Waal, die de menselijke en de niet-menselijke moraal verbindt, bestaat uit nauwkeurige waarnemingen van het gedrag van diersoorten die verwant zijn aan de mens.
Volgens De Waal benadrukte Darwin reeds dat de mens overkomsten met de dieren vertoonde, zelfs op moreel gebied. De oorsprong van deze neiging is geen mysterie. Alle soorten die op samenwerking kunnen vertrouwen – van olifanten tot wolven en mensen – vertonen hulpvaardigheid jegens en loyaliteit aan de groep. Alvorens nog wat voorbeelden van speciaal gedrag van dieren te geven, vermeld ik nog een opmerkelijke passage uit zijn boek: “Neurowetenschappers hebben aangetoond dat emoties veeleer het menselijk redeneervermogen ondersteunen dan dat ze de tegenpool van rationaliteit zijn. Mensen kunnen redeneren en delibereren wat ze willen, als de opties waar ze uit kunnen kiezen niet gepaard gaan met emoties komen ze nooit tot een besluit of een overtuiging.” Enkele observaties wat “vergeving en de andere wang toekeren” betreft: Chimpansees kussen en omhelzen elkaar na ruzies om zo de vrede binnen de gemeenschap te bewaren. Bescherming tegen agressie is heel normaal bij apen, mensapen en veel andere dieren, die opkomen voor hun familie en hun vrienden. Empathie (ontvankelijkheid voor de gedragstoestand van soortgenoten) varieert van een zwerm vogels die tegelijk opvliegt, omdat één ervan door een roofdier wordt opgeschrikt tot een moederaap die terugkeert naar een huilend jong om het van de ene boom naar de andere te helpen door haar lichaam er als brug tussen te hangen.
Er bestaat bewijs te over van de ene primaat die de andere tijdens een ruzie te hulp schiet, een arm om een aangevallen slachtoffer legt of een andere emotionele reactie op de angst of het verdriet van andere apen. De Waal is er vast van overtuigd dat mensapen zich in elkaars gevoelens kunnen verplaatsen en dat de evolutionaire oorsprong van dit vermogen niet moet worden gezocht in sociale wedijver, ook al wordt dat beweerd, maar in de noodzaak om samen te werken. Verder vraagt De Waal zich af: Wat is cultuur en vinden we dat ook in de natuur? Als cultuur de sociale overdracht van kennis en gewoonten is, dan komt het in de natuur op ruime schaal voor.

© Natuur- en Milieuvereniging Gemeente Heusden 2010-2018
Vogelgeluid