Home > Communicatie > Artikelen C. van der Meijden > Kwelgebieden met blauwgraslanden, bloemrijke hooilanden en kwelsloten met kranswieren


10-11-2012
Kwelgebieden met blauwgraslanden, bloemrijke hooilanden en kwelsloten met kranswieren
Op de overgang van dekzand naar klei komt kwelwater aan de oppervlakte.

Brabant is voor een groot gedeelte bedekt met dekzand, dat hier in een ver verleden door grote zandverstuivingen is terechtgekomen. Waar dit dekzand doorsneden werd door de Maas die regelmatig overstroomde, werden over een brede strook grond, parallel aan de loop van de (Oude)Maas, zandige oeverwallen en zavelige sedimenten afgezet.
Op de oeverwallen zijn de Langstraatdorpen ontstaan. In de lager gelegen kommen in het landschap bezonk de zwaardere, onhandelbare klei. Daar ontstonden moerassige gebieden, waar zich veen vormde en waar ook de eendenkooien te vinden waren. Dan waren er ook nog, ver weg van de boerderijen, op laaggelegen, vochtige gronden die ’s zomers oppervlakkig uitdroogden schrale hooilanden te vinden. Deze voedselarme hooilanden (blauwgraslanden) werden hoofdzakelijk gevoed via kalk- en ijzerhoudend grondwater (kwel). Daarom kwamen er op deze voedselarme graslanden met wisselende grondwaterstanden bijzondere plantensoorten voor: o.a. Spaanse ruiter, Blonde zegge, Blauwe knoop, Grote pimpernel en ook Blauwe zegge, waaraan deze schrale hooilanden hun naam te danken hebben. Op de wat voedselrijkere, af en toe met wat stalmest bemeste graslanden dichter bij huis ontstonden bloemrijke hooilanden met soorten als Echte koekoeksbloem, Pinksterbloem, Grote Ratelaar, Veldzuring, Scherpe boterbloem, Rode klaver en Moerasrolklaver. Afhankelijk van de grondwaterstanden groeiden er ook Dotterbloem en Vossestaart. Vanzelfsprekend waren daar ook veel graslandvogels te zien die daar kwamen foerageren o.a. Grutto, Kievit, Kemphaan, Wulp, Scholekster en Veldleeuwerik. Verder groeiden er in de kwelsloten kranswieren en allerlei fonteinkruiden, waterranonkel, kikkerbeet en blaasjeskruid.

Kwelwater
Kwel is het toestromen van grondwater naar de oppervlakte op lage plekken in het landschap. Regenwater dat elders op hoger gelegen gronden valt, stroomt ten dele ondergronds langzaam naar lager gelegen gebieden, waar het weer aan de oppervlakte komt. Op de overgang van dekzand naar klei botst het grondwater op de harde kleilagen en komt dan daar waar de tegendruk het laagst is weer als kwelwater tevoorschijn. Er is ondiepe kwel uit de hoger gelegen gebieden in de directe omgeving, maar ook diepe kwel uit zandige bodemlagen in de ondergrond (de z.g. watervoerende pakketten). Deze zandlagen bevinden zich tussen klei- en leemlagen die weerstand bieden aan de druk van het water in de zandige bodemlagen. Als gevolg van de druk in zo’n watervoerend pakket komt er ondergronds een grondwaterstroming op gang.

Grondwater kan er tientallen tot honderden jaren overdoen om uiteindelijk weer als kwelwater het oppervlak te bereiken. Dit kwelwater heeft door zijn lang reis in de ondergrond een andere chemische samenstelling gekregen dan regenwater. In de ondergrond worden er namelijk mineralen opgenomen, waaronder kalk en ijzer. Op de plaatsen waar dit kwelwater uittreedt zijn daardoor dan ook bijzondere plantensoorten te vinden. Enkele specifieke kwelindicatoren zijn o.a. Holpijp, Waterviolier en Dotterbloem. Kwel veroorzaakt een geringe stroming in het oppervlaktewater en zorgt zo voor een wat meer constante temperatuur van het oppervlakte water. ‘s Zomers is deze iets lager dan van in rust verkerend water, ’s winters juist iets hoger: kwelplekken vriezen minder spoedig dicht. Dat kwelwater gewoonlijk rijk is aan ijzer is te zien aan de roodbruine kleur van de in het water neergeslagen ijzeroxide. Ook drijft er vaak een vliesdun ‘olielaagje’ op het water. Het doet denken aan waterverontreiniging door olie of benzine. Het is echter een vlies van ijzerbacteriën die bij de oxidatie van de in het kwelwater opgeloste ijzerionen tot ijzeroxiden zijn betrokken. Het vlies is te onderscheiden door er met een grashalm in te prikken. Het vlies valt daardoor in afzonderlijke vlekjes uiteen, die echter niet, zoals bij een olielaagje als gevolg van de oppervlaktespanning, onmiddellijk weer dichttrekken. Zo kan iedereen zelf constateren of er in een gebied kwelwater is te vinden. Het ijzer in het kwelwater kan ook de tegenwoordig door overbemesting veelvuldig in het water voorkomende fosfaten binden, waardoor het fosfaatgehalte in de sloot laag blijft. Dat is dan weer gunstig voor de kranswieren. Fosfaten bevorderen een overdadige groei van algen in de sloten, waardoor er een tekort aan zuurstof kan ontstaan. Helaas is door veelvuldige grondwateronttrekking de kwelstroom de afgelopen jaren afgenomen.

De moderne landbouw
Bij de ruilverkavelingen werden de eertijds voedselarme tot matig voedselrijke gebieden ontsloten. Ontwatering en zware bemesting veranderden het blauwgrasland en het bloemrijke hooiland in productieland met voornamelijk één grassoort (raaigras en/of mais). Vooral vlinders, bijen en allerlei andere soorten insecten en niet te vergeten de graslandvogels kwamen zo in het gedrang. Hoewel het blauwgrasland en het dotterbloem- en vossenstaarthooiland inmiddels vrijwel verdwenen zijn, kunnen we in sommige secundaire sloten hier en daar toch nog kwelverschijnselen waarnemen en bepaalde bijzondere planten. De hoofdsloten worden tegenwoordig ook intensief geschoond. Ook daar is niet veel meer te beleven. Een niet te intensief slootbeheer van secundaire sloten zou allerlei interessante waterplanten, maar ook dieren als de grote en kleine modderkruiper de kans geven om te overleven. Ook de gemeentes beheren tegenwoordig de bermen van de wegen en de dijken in het
buitengebied die als vluchtplaatsen zouden kunnen dienen voor allerlei planten- en diersoorten nog steeds als gazons in een stadspark! Al vóór de zomervakanties zijn begonnen, zijn de meeste bermen, dijken en wallen al gemaaid. Opgeruimd staat netjes! Is het dan verwonderlijk dat er nog zo weinig vlinders te bewonderen zijn?

Herstel van blauwgraslanden, bloemrijke hooilanden en kwelsloten met kranswieren.
Het is verheugend, dat er de afgelopen tijd o.a. in samenwerking met de provincie en de gemeentes door Vereniging Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer en het Brabants Landschap hard aan wordt gewerkt om in de bestaande natuurgebieden op de overgang van dekzand naar klei het herstel van blauwgraslanden, bloemrijke hooilanden en kwelsloten weer mogelijk te maken. De laatste jaren is de aandacht namelijk verschoven van het beschermen van afzonderlijke dieren en planten naar het veiligstellen van hun leefmilieu (habitat). Zonder een gezond leefmilieu kunnen immers planten en dieren en uiteindelijk ook de mens niet overleven.

© Natuur- en Milieuvereniging Gemeente Heusden 2010-2018
Vogelgeluid