Home > Natuureducatie > Natuureducatie algemeen > Steenuiltjesgeluk


07-08-2016
Steenuiltjesgeluk
Ooit zat een ransuilenpaar hoog in een boom vlakbij ons huis. Prachtig. Nooit eerder een levende uil – laat staan zulk mooi gekuifden – gezien. Toen we zelf in het Heesbeense neerstreken hebben we een stukje grasland met bomen en struweel beplant. Het is inmiddels een echt bosje geworden waar allerlei vogels huizen. De omliggende weilanden en het langs meanderende Oude Maasje vullen het beeld van de vliegende fauna rondom ‘ons nest’ aan. We genieten er enorm van en volgen alles wat groeit, bloeit en beweegt.

Het verschijnen en even geruisloos verdwijnen van de ransuilen bracht ons op het idee om ergens een nestkast op te hangen. Waarom zou zo’n koppel – of ander uilenpaar - zich niet willen vestigen op een plek waar zoveel vogels zich al prima thuis voelen. Toen op een winteravond buiten ‘oehhh. ...oehhh…’ geluiden klonken, concludeerden we dat een uil onze gedachten had gelezen en ermee instemde. Via Noor Peters kwamen we in contact met Harrie Smits van de NMVH / IVN de Waerdman . Hij plaatste een uilennestkast in de notenboom achter ons huis. Vanuit het keukenraam hadden we zicht op de kast en het entreehalletje met zijn Noord- en Oostingang. We schrijven 2014. Elke ochtend tuurden we richting uilenkast om te zien of er iets viel waar te nemen. Harrie waarschuwde dat het wel even kon duren voordat een uiltje zijn intrek neemt en dat duiven evengoed belangstelling kunnen hebben voor zo’n chique onderkomen.

In de loop van 2015 controleerde Harrie de kast, maar geen spoor van bewoning. Totdat we ergens in december iets zagen bewegen in het halletje, een grijsbruin rond iets. Zou het…? Jawel, ons geduld werd beloond toen we even later het beestje parmantig zagen staan in de opening, die naar het keukenraam wijst. Als een vanzelfsprekende aanwezigheid, precies passend in het poortje met zijn ronde boog. Met verrekijker en vogelgids stelden we vast: het is een steenuiltje. Tientallen keren per dag tuurden we richting uilenkast om te zien wat er verder stond te gebeuren. Hij of zij scharrelde wat rond in het halletje, verscheen soms in de noord- en dan weer in de oostpoort, rustte af en toe op de stok, die Harrie vóór de kast – bij wijze van aanvlieg/landingsbaan – had aangebracht. Maar vaak leek de kast gewoon weer verlaten.

Op een ochtend in januari 2016 stond het uiltje in de oostpoort met zijn gezicht in de richting van de stok, waar zijn evenbeeld leek te zitten. Het had gezelschap gekregen van een compagnon; zo waren er opeens twee uiltjes. Hun gedrag – met korte buiginkjes elkander het hof makend – wekte bij ons hoge verwachtingen. Zou het tweetal gaan zorgen voor nageslacht en de uilenstand met drie of vier uitbreiden? De fascinatie voor dit niet alledaagse natuurfenomeen groeide allengs en we speculeerden in welke fase van blijde verwachting het uilenpaar leefde. Maar naar mate de tijd vorderde, verschenen de uiltjes steeds minder. We maakten ons zorgen.

Van tijd tot tijd streken nieuwsgierige duiven rond en op de kast en een enkeling drong brutaalweg het halletje binnen. Zou de ‘uilen romance’ ten einde zijn? Gelukkig kwam Roy van Delft - de beoogd opvolger van Harrie - in maart voor een kastinspectie en meldde dat het uilenvrouwtje op drie eieren zat te broeden! Wat een opluchting. Nu de kast toch open was gauw even een kiekje genomen: drie eieren in een rommelig nest, terwijl het vrouwtje verschrikt weggedoken zat in een hoekje.



De eieren hadden de hoop op jong uilenleven bij ons weer aangewakkerd. Maar zoveel plezier als we hadden gehad met het ‘voorspel’ in januari en februari, zo weinig viel er te beleven nu er kennelijk gebroed werd. Ook het mannetjes zagen we zelden of nooit. Tot ook Harrie weer eens kwam inspecteren. Tot onze vreugde meldde hij de aanwezigheid van een jong uiltje. Eén ei lag nog ongebroken in het nest terwijl van het derde geen enkel spoor te vinden was. Harrie stelde ons gerust over het mannetje, dat we nooit meer zagen: “die zoekt voedsel voor moeder en kind”.

























Nog eens twee weken later kwam Roy weer polshoogte nemen: het uilskuiken was inmiddels een stuk groter en hij liet het ons zien. We namen het jong in de hand en poseerden ermee voor de camera. Als we dit ‘levende bewijs’ niet hadden gezien, hadden we geloofd dat het hele uilen-avontuur voor ons al voorbij was. We zagen of hoorden daarna amper enig teken van leven, noch van de ouders, noch van het jong. Misschien hadden ze kast en territorium verlaten om hun heil elders te zoeken, zonder onze ongeduldige en nieuwsgierige blikken. Juni 2016: onlangs vloog in het bosje van vlakbij plotseling een steenuiltje weg, recht voor ons uit. Zoveel is wel duidelijk: uiltjes gaan hun eigen gang en wij hebben mooi het nakijken.

Jos Poodt


© Natuur- en Milieuvereniging Gemeente Heusden 2010-2018
Vogelgeluid