Home > Natuureducatie > Natuureducatie algemeen > Op weg naar een toekomstbestending slootonderhoud


21-08-2016
Op weg naar een toekomstbestending slootonderhoud
Stowa (stichting toegepast onderzoek waterbeheer) schrijft in een brochure van 2005 over de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) met daarin eisen en normen voor de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. Deze Kaderrichtlijn is in december 2000 van kracht geworden. Alle Europese wateren moesten per 2015 chemisch en ecologisch ‘in goede toestand’ verkeren.

Kenmerkend voor deze Kaderrichtlijn is, dat er naast een fors aantal normen voor chemische stoffen ook normen voor biologische elementen moeten worden vastgesteld. Stowa vat het kort samen “Een vitale flora en fauna vormt het beste bewijs dat een water schoon en gezond is en daar gaat het om in de Kaderrichtlijn”.

Ondertussen heeft de Europese Commissie in een mededeling voor Nederland vastgesteld (dat verwondert mij overigens niets), dat ons land de doelen van de Kaderrichtlijn Water niet heeft gehaald. De Nederlandse waterkwaliteit is nog steeds “ontoereikend” om aan de Europese normen te kunnen voldoen. Vooral de landbouw vormt, volgens de Europese Commissie, een grote oorzaak van het niet halen van de gewenste waterkwaliteit in 2015. Dat komt voornamelijk door vervuiling door mest en bestrijdingsmiddelen. Er zijn dus extra maatregelen nodig om de watervervuiling te stoppen. Daarom moet er, volgens de Europese Commissie, in de Nederlandse Stroomgebiedbeheerplannen een heldere strategie komen rondom het gebruik van mest en bestrijdingsmiddelen in de landbouw. Zoals gebruikelijk heeft Nederland maar weer eens om uitstel gevraagd!
De normen beschreven in de Kaderrichtlijn zijn gebaseerd op de soorten die er in een zuiver natuurlijke situatie in een bepaald watertype zouden moeten voorkomen. Er zijn lijsten opgesteld met bepaalde kensoorten. Als bij een steekproef een zeker aantal kensoorten worden gevonden, wordt het bemonsterde water ecologisch gezond verklaard.

Sloten in het polderlandschap
Wat voor type water vormen de door de mens aangelegde poldersloten? In hun min of meer ‘natuurlijke toestand’ zonder de tegenwoordige overbemesting en bestrijdingsmiddelen zijn ze ecologisch gezien heel interessant en kenmerkend voor het Nederlandse polderlandschap.

Kenmerkend voor het polderlandschap van de Langstraat (het z.g. slagenlandschap) is bovendien dat het zich in het stroomdalgebied van de Maas bevindt. Dit gebied was in een ver verleden één groot moerassig veengebied. Vanaf ongeveer het jaar 1000 werd het gebied ontgonnen en ontstond er een groot poldergebied met sloten om het overtollige water af te voeren naar de Maas.
In de loop der jaren vonden er talrijke dijkdoorbraken en overstromingen plaats. Nog tot omstreeks 1910, toen het Drongelens Afwateringskanaal werd gegraven, strekte het Overlaat-gebied van de Maas zich uit tot aan de randen van de Loonse- en Drunense Duinen.

Gezien de huidige klimaatveranderingen is het niet ondenkbaar dat het overlaatgebied in de toekomst in noodgevallen - al of niet beheerst- nog steeds als wateroverlaat dienst zal moeten doen. Ook kenmerkend voor dit poldergebied is dat het ligt op de grens van de hogere zandgronden van de Kempen en de lager gelegen rivierkleigronden van de Maas. Dat heeft tot gevolg dat er kwelwater opwelt. Kwelwater is regenwater dat op de hogere, goed doorlaatbare zandgronden valt en vervolgens via ondergrondse aardlagen afzakt en dan uiteindelijk op de lagere, minder goed doorlaatbare rivierkleigronden stuit en weer opwelt.



Dit in het verleden overvloedig voorkomend kwelwater heeft zeker ook bijgedragen aan het ontstaan van het eertijds drassige veengebied. Helaas is de kweldruk de afgelopen jaren enorm afgenomen ten gevolge van wateronttrekking ten behoeve van de drinkwatervoorziening, de industrie, het besproeien van weilanden en akkers, een min of meer vast polderpeil e.d.
De meeste kwel bereikt tegenwoordig de wortels van de planten in de polders niet meer, maar welt nog wel op in het water van bepaalde poldersloten.

Het diepe kwelwater (er is ook ondiep kwelwater uit de directe omgeving) is relatief schoon en mineraalrijk. Het is in diepe aardlagen o.a. verrijkt met ijzer- en kalkverbindingen. De kalkverbindingen hebben een bufferende functie d.w.z. dat ze in staat zijn al te grote schommelingen in de zuurgraad (pH) van het water in de sloten te voorkomen. Daardoor blijft het water in kwelsloten in normale omstandigheden wat de zuurgraad betreft (zwak-zuur) neutraal tot basisch. Deze opwellende kwel zorgt ook voor een zekere stroming in het water en dat bevordert dan weer het transport van zuurstof en kooldioxide vanuit de buitenlucht naar de planten in het water. Kwel heeft ook invloed op de watertemperatuur. ’s-Zomers werkt kwelwater verkoelend wat het oplossend vermogen van het water voor zuurstof en kooldioxide bevordert en ´s winters temperatuur verhogend, dus vorst werend. Dat komt dan weer ten goede aan overwinterende planten en dieren. Het ijzer in kwelwater kan, evenals kalk, het teveel aan fosfaat in het water binden en zo onschadelijk maken. Er zijn een Aantal bijzondere planten (o.a. Waterviolier, Dotterbloem, Holpijp, Kransvederkruid, Gewoon sterrekroos ) die voornamelijk in kwelsloten voorkomen en dus aangeven waar kwelwater opwelt. Sloten waar kwel aanwezig is, zijn vaak ook herkenbaar doordat er een blauwachtig vlies (als een soort olievlek) op het water drijft, gevormd door ijzerbacteriën. Roestbruine verkleuring van water duidt ook op ijzerhoudende kwel.
In de poldersloten, die wel eens de ‘haarvaten’ van de polders worden genoemd, was vroeger (vóór de grote ruilverkavelingen van de vijftiger en zestiger jaren van de vorige eeuw) voor natuurminnaars veel moois te beleven.

Afhankelijk van de diepte van de sloot, de stroomsnelheid, meer of minder slib op de bodem, de helderheid van het water en de aanwezigheid van kwel groeiden er allerlei interessante planten, zowel onder als bovenwater.
In helder water zonder veel slib groeiden onder water veel kranswieren (hoog ontwikkelde groenwieren) die graag door de zwanen en meerkoeten werden gegeten. Deze kranswieren vormden toen een indicator voor goede waterkwaliteit. Als er al een dun laagje slib gevormd was verschenen de in de bodem wortelende, onderwater groeiende fonteinkruiden die ook als voedselbron en schuilplaats dienden voor allerlei dieren in het water. Het woord ‘fontein’ zou mogelijk kunnen verwijzen naar planten die vooral veel voorkomen in kwelwater. Dan verschenen ook de niet in de ondergrond wortelende, maar in het water zwevende planten zoals Hoornblad, Waterpest en Puntkroos.

In kwelsloten met veel slib (organisch materiaal) op de bodem stond in de lente de bekoorlijke, boven het water uitstekende, rose Waterviolier in bloei en onder water was Kransvederkruid en Rossig fonteinkruid te vinden. Op enigszins beschutte plaatsen verschenen wat later in de lente de Waterlelie en de Gele plomp met hun grote op het water drijvende bladeren. In sommige wat bredere sloten met een dikke sliblaag en voedselrijk water en soms wat meer stroming dreef het goed zichtbare en nogal forse, doorzichtige Glanzig fonteinkruid in het water, vaak vergezeld door Drijvend fonteinkruid en Gele plomp.
Andere wat bredere sloten met een kleibodem en af en toe ook wat beweeglijk water waren bijna helemaal bedekt met de gele Watergentiaan.



In rustige, voedselrijke sloten met heel veel slib op de bodem en vooral ook ijzerrijke kwel groeide de Krabbescheer in gezelschap van de in het water drijvende Kikkerbeet en wat Eendenkroos.
Onder water zweefde dan vaak Groot blaasjeskruid, dat met zijn blaasjes watervlooien en waterkreeftjes verschalkte. Ook Brede waterpest en Aarvederkruid konden we er aantreffen. Dit gezelschap wordt de Krabbescheergemeenschap genoemd.

De Krabbescheer is een ’s zomers half boven water drijvende plant met een rozet van enigszins stekelige bladeren die ’s winters weer naar de bodem zakt. De witte bloemen bevinden zich in een afgeplatte, tweekleppige bloeischede die lijkt op de scharen van een krab. Op deze plant legt de Groene glazenmaker (een tegenwoordig zeldzame en beschermde libelle) zijn eitjes en de Zwarte stern bouwt er graag zijn nestje op. De larven van de Groene glazenmaker leven 2 à 3 jaar in de sloot, alvorens als een prachtige libelle uit het water te kruipen.





























Behalve allerlei larven van libellen en waterjuffers leven er trouwens in gezonde sloten nog zoveel andere organismen. Om een indruk te geven, noem ik er een aantal op: kleine, zeer gevoelige, eencelligen wiertjes die je alleen maar met een microscoop kunt bekijken en die specifieke informatie verschaffen over de kwaliteit van het water, verder leven er o.a. watervlooien, waterkreefjes, waterpissenbedden, bootsmannetjes of ruggezwemmers, mijten, platwormen, bloedzuigers, torren, dikkopjes, modderkruipers, stekelbaarsjes, de grote gerande oeverspinnen, schrijvertjes, salamanders, kikkers, in wat dieper water voorntjes en ga zo maar door! Ze spelen allemaal een rol in het Grote Geheel. Het was voor mij vroeger interessant om met een schepnetje door het water te gaan en de vangst in een glazen potje te doen en dan alles te bekijken. Alvorens dit artikel te schrijven heb ik bewust nog eens een paar poldersloten bekeken en nog eens met een schepnetje naar onder water levende dieren en planten gezocht. Maar helaas zijn er in onze huidige poldersloten, ook al zijn ze helder, nog maar weinig planten en dieren te vinden. Dit is het gevolg van de overbemesting van onze landerijen. Het water van de aangrenzende sloten wordt overbelast met te veel ammoniak, nitraat en fosfaat en allerlei bestrijdingsmiddelen.

Terwijl de poldersloten in dit gebied van nature zijn ingesteld op matig voedselrijk water. Het gevolg van deze overbemesting is dat sommige sloten bedekt zijn met een op het water drijvende, dikke, aaneengesloten, zonlicht werende, groene laag flap. Deze groene laag, vooral bestaande uit eendenkroos, kroosvaren en draadalg, verstikt letterlijk alle planten en dieren in de sloot. Zonder voldoende licht kunnen de ondergedoken groene planten namelijk niet voldoende zuurstof produceren. De planten die deze groene laag vormen zijn bestand tegen overbemesting. Ze doen eigenlijk heel goed werk. Al groeiende nemen ze enorm veel stikstof e.d. op en bevrijden zo op de lange duur de sloot van overbemesting. Er is echter geen beginnen aan!
Als de boer nu eens een halve meter wegbleef van de sloot bij het uitrijden van de drijfmest zou dat al enorm schelen! Het viel mij in de polder ook op dat een groot aantal van de kleinere sloten, soms met nog wat struiken erlangs, in verband met de schaalvergroting zijn dichtgewerkt of tot een onbenullig greppeltje versmald. Het slagenlandschap verliest zo langzamerhand zijn oorspronkelijke karakter! Dan zijn er een aantal sloten die er zo op het oog redelijk helder uitzien, maar vergis je niet. In dit water is niet veel meer te beleven. Het zijn dode sloten. Nog een oorzaak van onze armzalige sloten vormt het schonen van de sloten. De meeste sloten worden, naar mijn mening, te vaak en te grondig geschoond. De gehele vegetatie met organisch slib en al wordt er jaarlijks uitgegooid. Ik vraag mij af of het nodig is om ieder jaar opnieuw alles tot op de bodem eruit te schrapen? Zo krijgt de flora en fauna in de sloten geen kans meer zich te ontwikkelen. Ik begrijp best dat beheer noodzakelijk is, sterker nog, alle door mij boven vermelde planten kunnen alleen in stand gehouden worden als de sloten worden geschoond, anders treedt uiteindelijk verlanding op. Voor de hoofdsloten van het watersysteem is misschien intensief schonen noodzakelijk? Je zou echter hopen, dat de gewone sloot weer eens wat minder intensief zou worden geschoond, misschien in fasen en/of om de zoveel jaar, zodat allerlei planten en dieren weer kansen krijgen om zich te ontwikkelen.
Vergeet niet dat sloten die natuurlijk het overtollige water moeten afvoeren en tegenwoordig in droge tijden ook aanvoeren, nog andere belangrijke functies hebben. Ze vormen ook opslagplaatsen voor water in natte en droge tijden. Je ziet tegenwoordig vaak dat het water met vaart wordt weggepompt en een paar weken daarna moet het grasland weer worden besproeid en moet er weer gebiedsvreemd water worden ingelaten. Een gezonde sloot is een sloot met niet alleen op het water drijvende en boven het water uitstekende planten, maar vooral ook onder water drijvende planten en zwemmende dieren. Allemaal samen vormen deze planten en dieren een zeer ingewikkeld samenhangend netwerk (ecosysteem) dat beschikt over een zelfreinigend vermogen dat zorgt voor een betere waterkwaliteit.

Verder hebben sloten en hun oevers ook een ecologische functie te vervullen: het behoud van allerlei bijzondere planten en dieren. Vergeet ook alle wandelende en fietsende natuurliefhebbers niet die steeds meer uit zijn op beleving van natuur.



Ik zou ook nog een pleidooi willen houden voor niet te steile, flauw aflopende, natuurvriendelijke oevers, zodat ook moerasplanten (zoals Grote waterzuring, Grote waterweegbree, Pijlkruid, Lisdodde, Grote Egelskop, Watermunt en Watereppe e.d.) weer kansen krijgen. Deze oeverplanten vormen schuil- en broedgelegenheid voor allerlei dieren. Ze dragen ook nog bij aan een goede ecologische kwaliteit van het water. Bovendien vergroten aflopende oevers de watercapaciteit van de sloten. Er gloort echter licht aan de horizon!Volgens Waterschap Aa en Maas (in samenwerking met een aantal andere waterschappen) moet om te voldoen aan de Europese Kaderrichtlijn Water in de toekomst “bij het beheer en onderhoud van sloten een evenwicht gezocht worden tussen de watervoerende functie en de instandhouding van watervegetatie”. Waterschap Aa en Maas, dat ook het polderlandschap van de gemeente Heusden beheert, gaat aan de slag met het toekomstbestendig maken van het slootonderhoud. “Dit proces zal geleidelijk en in goed overleg met de streek worden doorlopen tussen nu en 2030.”

Cees van der Meijden

© Natuur- en Milieuvereniging Gemeente Heusden 2010-2018
Vogelgeluid