Home > Communicatie > Overige artikelen > De man die bomen plantte


07-03-2008
De man die bomen plantte
Een verhaal van Jean Giono – bewerkt en verteld door IngerMarlies Leeuwenburgh , bij de aanplant van drie klimaatbosjes in onze gemeente.

Over de man die bomen plantte en de vrouwen die de bomen omarmen


Eens, toen ik jong was, ontmoette ik de man die bomen plantte. Kent u hem?
Ik was onderweg, door een verhard en somber land. De huizen leken te groeien over de velden, wegen stroomden als rivieren door het land.
Ik was dorstig en uitgeput, op reis van waar ik kwam tot ik wist niet waar.

Toen zag ik daar een man geknield zitten. Ik liep op hem toe, moe als ik was. Hij oogde fris en monter. Zo zag je mensen tegenwoordig zelden nog. Vaag bedacht ik me dat wij, de mensen, net zo hard waren geworden als het beton om ons heen.
Ik zag dat de man een stok in zijn hand had, en iets in zijn andere hand – wat, dat kon ik niet zien. Met de stok maakte hij een gat in de grond en wat hij in zijn andere hand had, stopte hij daar in.
Ik groette hem. Hij had een kleine flacon aan zijn broeksriem en ik vroeg hem om wat water. Hij reikte mij de flacon en knikte slechts. Na gedronken te hebben raakten we aan de praat. Ik vroeg hem wat hij aan het doen was.
“Ik plant bomen,” zei hij eenvoudig.
“Bomen? In dit uitgeputte, verharde land? Waar dan?” en ik keek om mij heen.
“Je kunt het nu niet zien,” antwoordt de man, “maar het zal zo lang niet duren. Het zijn walnootbomen en die groeien hard. Dit is mijn bijdrage aan de aarde en ik hoop haar zo te redden.”
“Wie, de Aarde?” vroeg ik.
“Hmm,” knikte de man weer. “En de mensen.”
En hij ging door met zijn werk. Rustig, maar onverstoorbaar.
“Ik voel mij een roepende in een oprukkende woestijn,” hoorde ik de man nog zeggen, op zachtere toon – alsof hij tegen zichzelf sprak. “Maar ik doe mijn werk. Klein en bescheiden, meer kan ik niet.”
Toen viel hij stil en ging weer door met zijn werk.
Ik dacht na over wat hij gezegd had. Ik wist niet meer van bomen dan dat ze groeien en hun bladeren in de herfst verliezen. Bomen? Ze waren er vroeger wel geweest en ik had er nog nooit bij stilgestaan dat ze praktisch waren verdwenen.

De volgende dag trok ik verder. Ik maakte verre reizen.
Vele jaren later kwam ik terug op die plek. Ik herkende haar nauwelijks. Daar waar voorheen slechts grijze hardheid was, waar mensen gebogen liepen onder een onzichtbare last; daar waar hardheid de omgeving beheerste… daar stond nu een woud van stevige, gezonde bomen.
De mensen oogten vriendelijk en levendig.
Hoe was dit mogelijk? Ik keek mijn ogen uit.
Ik ontmoette een man. Hij zat op een bankje onder een van de grootste bomen. Hij zag er fris en monter uit. Ik ging naast hem zitten en we raakten aan de praat. Ik vertelde hem, dat ik zo’n twintig jaar geleden ook hier was geweest. Dat ik goed om mij heen had moeten kijken, omdat ik de omgeving bijna niet herkende. Maar ja, het moest hier zijn, al mijn moderne GPS-apparatuur had mij laten weten dat dit de plek moest zijn geweest. Maar toen was het kaal en hard, grijs beton. En nu staan er zoveel bomen.
“Dat klopt,” antwoordde de man vriendelijk, en hij reikte mij een flacon heerlijk fris water.
“Dit zijn walnootbomen.”
Plotseling herinnerde ik mij de man van vroeger, die geknield zat en iets in de grond stopte…
“Walnoten groeien snel zolang ze jong zijn,” ging de man naast mij verder. “De stammen zijn ons tot steun, de bladeren beschermen ons tegen de zon. De vruchten zijn gezond, ze helpen de mensen die veel met hun hoofd werken – en mogelijk zullen ze hun hoofd dan eens goed gaan gebruiken. De olie uit de noten beschermt ook goed tegen de zon. De bladeren helpen bij jicht en eczeem, en bij ontstekingen. En alsof dat allemaal nog niet genoeg is… Zeshonderd jaar willen deze bomen ons door ons leven helpen. En als dan zijn eigen einde komt, zelfs dan weet de walnoot nog te schenken. Zijn hout behoort tot de edelste houtsoorten die we kennen.”
Ik keek de man verbaasd aan.
Waar zijn wij met z’n allen mee bezig, wat hebben we gedaan, dat we de Aarde en alles wat daarop groeit aan het uitputten zijn?
Wortels, bladeren, vruchten, hout…? En ik keek naar de boom waar ik tegenaan geleund zat. ‘Die boom die lééft,’ drong het plotseling tot mij door. ‘Die boom is een levend wezen, net als ik. Die staat daar op zijn eigen plek. Hier heeft hij altijd geleefd en zo te zien aan de plekken op zijn bast, heeft hij ook littekens in zijn leven opgelopen… net als ik….
En deze boom gééft?! Voor niets? Het enige wat die boom vraagt is om ‘m te laten leven?!’
Het was alsof ik mijn hele omgeving plotseling met andere ogen bezag.
Het is vreemd om een boom plotseling te zien als leven.
Maar ik ontdekte meer, meer nog dan de man had verteld. Ik hoorde een vogel zingen, hoog in de top van de boom. En hij kreeg antwoord van een andere vogel op een lagere tak. Ik zag een eekhoorn en ook een Vlaamse gaai.
‘Die boomt leeft, hij geeft’ ging het door mij heen.
En toen ik goed keek, zag ik mieren kruipen op de stam. Een kever. Er zaten wat mossen op de bast.
“De boom doet veel goeds voor ons,” zei ik tegen de man.
“Hm,” knikte hij. “Hier wordt weer geleefd, door bomen, door dieren en ook door mensen. Het is hier beter nu…”

De mensen leefden er rustig en tevreden. Ieder voerde het ambacht uit waar hij of zij goed in was. Als de mensen hout nodig hadden, namen ze daarvoor de afgevallen takken en op de grond gevallen twijgjes. Er groeiden planten, bloemen en bessen in de schaduw van de groter wordende bomen. Ze werden net als de noten gebruikt voor medicijnen voor de zieken in het dorp. Alle mensen hadden respect voor de bomen en al wat ze brachten. En ze vertelden erover van grootmoeder op moeder op dochter.
Het was een fijne plek geworden. Ik kom er heel vaak terug.

En toch… enkele jaren later gebeurde er iets vreselijks. Op een dag kwamen er drie grote vrachtauto’s aangereden. Mannen met oranje petjes op en grote bijlen in hun handen sprongen uit de laadbakken.
Kleine Laura uit het dorp was die dag buiten met haar geitjes op de weide. Zij zag de mannen komen. Ze zag ze uit de laadbak springen, met hun grote bijlen in de hand. Ze rende naar de man die de aanvoerder leek. “Wat gaat u doen?” vroeg ze bezorgd.
De man antwoordde: “We gaan de bomen omhakken.”
“Maar mijn moeder zegt dat de bomen leven, ze horen bij ons, net als onze broeders en zusters!” zei Laura. “Ze mogen niet omgehakt worden!”
De man begon te lachen en antwoordde: “Jullie broeders en zusters? Ha. Maar wij hebben opdracht van de mensen in de stad om het hout naar hen te brengen. Ga opzij, wij gaan aan het werk.”
Laura keek verschrikt naar de man en dacht vliegensvlug na. Toen draaide ze zich om en begon te rennen, het dorp in. Ze rende zo hard ze kon, zo snel als haar benen haar konden dragen. Haar twee geiten renden, met hun rinkelende belletjes om hun nek, achter haar aan.
Ze rende het dorp in, tussen de schuren, huizen en bomen door naar de grote gong op de open plaats in het midden van het dorp. Ze pakte de stok die ernaast hing en sloeg zo hard ze kon op de gong. Nog eens en nog eens, tot haar armen te moe waren om de stok nogmaals op te tillen. Alle vrouwen uit het dorp kwamen naar de open plaats. De mannen waren buiten aan het werk. Laura vertelde hijgend aan de vrouwen wat ze had gezien. Zodra ze uitgesproken was, gingen de vrouwen in optocht naar de rand van het dorp. Laura’s moeder liep voorop. Laura rende erachteraan. En de geiten volgden.
Zodra ze aan de rand van het dorp kwamen, zagen ze hoe de mannen bezig waren met de voorbereidingen om de bomen te kappen. De vrouwen renden naar de bomen en omhelsden ze.
Laura’s moeder zei tegen de aanvoerder: “Wij komen als vrienden en we willen jullie geen kwaad doen, maar we kunnen deze bomen niet laten kappen.”
“Ga opzij,” zei de man. En hij hief zijn grote bijl.
“De bomen zijn onze broeders en zusters,” ging Laura’s moeder verder. “Wij horen bij hen zoals zij bij ons horen. Wij omarmen de bomen. Als je de bomen kapt, zal je ons met je bijlen eerst moeten slaan.”
De hele groep mannen keek verschrikt rond en zag hoe de vrouwen de bomen omarmden. Laura’s moeder vertelde over het leven en het geven van de bomen. Over de schaduw, de vruchten om te eten, de geneesmiddelen, en tenslotte pas z’n eigen hout…
De mannen luisterden stil en ze begrepen dat ze de bomen niet konden kappen, zelfs niet al eisten de mensen in de stad dat van hen.
Even was het doodstil. Toen liet de leider zijn bijl zakken en zei: “Jullie hebben ons een les geleerd. Wij zullen het bos niet kappen. We zullen naar huis terugkeren met onze bijlen.”
De mannen liepen langzaam terug naar hun vrachtwagens en laadden hun spullen weer in. “Wij zullen ook anderen zeggen deze bomen niet te kappen,” beloofden ze de vrouwen.

Die avond kwamen Laura’s vader en alle andere mannen van het dorp weer naar huis. Toen ze hoorden wat hun vrouwen hadden gedaan, waren ze heel blij en dankbaar. Het hele dorp hield een groot feest. Ze aten fruit en zoete cake, ze dansten en ze zongen.

Laura was heel blij. Haar twee geiten sprongen heen en weer alsof ze dansten op de muziek van hun eigen belletjes. En in de bomen zongen de vogels tot de zon onderging hun allermooiste liederen.





© Natuur- en Milieuvereniging Gemeente Heusden 2010-2018
Vogelgeluid